Op veertienjarige leeftijd kreeg Jan Cremer door een oud-buurman uit de Emmastraat (P.A. Nijgh) de eerste beginselen van het schilderen en tekenen bijgebracht. In dezelfde tijd verliet Jan school, voor onderwijs was hij te onrustig. In 1954 vertrekt hij zonder paspoort op veertienjarige leeftijd voor het eerst naar Parijs waar hij zijn eerste werken maakt (Oerwoud, Parijs I en Parijs II). Jan vertelt zijn moeder dat hij kunstenaar wil worden en zij stimuleert hem. Ook gaat hij schrijven en tien jaar later verschijnt zijn wereldwijde bestseller 'Ik Jan Cremer'. Daarmee raakt zijn beeldende kunst in Nederland op de achtergrond. Het kunstenaarschap en het schrijverschap nemen een evenredig deel in van Jans leven. Vanuit de gevestigde orde der beide kunsten klinkt de gedachte dat je dan de kunst maar half zou beoefenen... We schetsen een beeld van de persoon Jan Cremer, dit keer meer getekend door zijn kunstenaarschap dan door zijn schrijverschap. Gedreven door zijn avontuurlijke geest werkt Jan nog altijd even hard en onvermoeid aan zijn boeken en schilderingen. Hij gebruikt schildertechnieken die, in zijn eigen woorden, niemand meer kent en alles begint met materie. We volgen Jan bij het samenstellen van de verf en het werk in zijn atelier. Ondertussen vertellen kenners over zijn werk en de persoon. Zo vernemen we bijvoorbeeld van de directeur van museum de Fundatie in Zwolle dat Cremers werk minstens zo belangrijk voor de kunst is als dat van Karel Appel.